Boek; COPD Een Begrensd Leven

Dit boek is een biografie. Het beschrijft het leven van een vrouw die op 59-jarige leeftijd te horen krijgt dat zij longemfyseem heeft. Ook de beginjaren van haar leven,haar verkering- en verlovingstijd en tenslotte de huwelijksjaren worden vastgelegd. Maar vooral de laatste twaalf jaren waarin zij de strijd aanbindt met haar ziekte worden uitvoerig beschreven. De zomermaanden die zij samen met haar man doorbrengt in Friesland, waar ze in Idskenhuizen, aan de waterkant hun vakantiehuis hebben, zijn telkens weer onderwerpen die terugkeren in het verhaal. De vele reizen die zij heeft gemaakt met haar man komen ook aan de orde. Maar ook haar voortdurende zorg voor haar partner, kinderen en kleinkinderen. Van alle jaren waarin zij werd geconfronteerd met COPD zijn gegevens vastgelegd in haar dagboeken. Deze dienden als basismateriaal voor het 240 pagina`s tellende boek. Bijzondere aandacht is er voor de kwaliteit van leven zoals die in die twaalf jaren zijn ervaren. De aanwijzingen die in het boek uitvoerig worden beschreven zullen voor COPD patiënten van belang zijn.

Advertenties

De Longen

Alle aanvoer en afvoer van lucht vindt plaats door onze luchtwegen. Dat begint bij de mond, de neus en de keel; de zogenaamde hogere luchtwegen. Het slijmvlies dat de binnenkant van deze luchtwegen bekleedt, zorgt ervoor dat de lucht al voor een deel bevochtigd wordt en dat kleine zwevende stofdeeltjes neerslaan. Vooral de neus heeft hierbij een belangrijke taak. Is de lucht eenmaal de hogere luchtwegen gepasseerd, dan gaat zij naar de lagere luchtwegen: langs de stembanden, door de luchtpijp en vervolgens door een zich snel vertakkend systeem van luchtpijpjes, de bronchiën, waarna uiteindelijk de longblaasjes bereikt wordt.

RBK: rechter bovenkwab

MK: middenkwab

ROK: rechter onderkwab

LBK: linker bovenkwab

LOK: linker onderkwab

De luchtwegen dienen vooral voor de adequate aanvoer van schone, bevochtigde verse lucht met voldoende zuurstof en voldoende afvoer van uitademingslucht waardoor het koolzuur het lichaam kan verlaten. Per 24 uur passeert er zo’n 10.000 tot 20.000 liter lucht door de luchtwegen. Om de luchtpijp en de bronchiën zitten ringen van kraakbeen, die op korte afstand van elkaar liggen. Deze ringen voorkomen dat de luchtwegen bij de adembewegingen worden samengedrukt. Onder de ringen liggen spiertjes die de doorsnede van de kleinere luchtwegen sterk kunnen laten variëren. Deze spiertjes kunnen samentrekken na prikkeling door bijvoorbeeld kou en rook.

De binnenkant van de luchtwegen is bekleed met slijmvlies, het epitheel. Dit slijmvlies bestaat uit steuncellen met trilharen en cellen die slijm produceren. Het epitheel heeft een belangrijke barrièrefunctie: het houdt schadelijke stofdeeltjes, bacteriën en virussen tegen. Door de werking van de trilharen worden deze stoffen weer naar de keel getransporteerd, waar ze als sputum kunnen worden opgehoest. In het epitheel liggen ook witte bloedcellen die samen met het epitheel van belang zijn bij de lokale afweer tegen ingeademde stofdeeltjes, virussen en bacteriën. Onder het epitheel ligt steunweefsel en daaronder lopen kleine bloedvaatjes.

In de longen vindt de gasuitwisseling van zuurstof en koolzuur plaats. Zo leiden de bronchiën de ingeademde lucht naar miljoenen kleine longblaasjes. Zuurstof uit de aangevoerde lucht gaat vervolgens door de flinterdunne wand van de longblaasjes heen en wordt opgenomen in het bloed. Dat gebeurt in de haarvaatjes die in de wand van de longblaasjes liggen. Tegelijkertijd gaat het koolzuur dat het lichaam produceert vanuit het bloed in de haarvaatjes naar de longblaasjes en wordt dan uitgeademd. Het middenrif en de tussenribspieren zijn de spieren die gebruikt worden om in te ademen. Het middenrif zorgt voor ongeveer tweederde van de ademarbeid. Bij hevige kortademigheid zie je soms dat ook de schouder- en halsspieren gebruikt worden. Daarbij kan het prettig zijn om de armen op een tafel te laten rusten. Uitademen gaat grotendeels vanzelf; de buikspieren kunnen de uitademing ondersteunen.

De werking van onze longen

De lucht die u inademt via neus of mond, passeert eerst de keelholte om vervolgens in de luchtpijp (trachea) te komen. Aan het einde van de luchtpijp stroomt de lucht door verschillende vertakkingen (bronchiaalboom) de longen in. Deze vertakken zich steeds verder tot minuscule takjes (bronchioli) die elk weer uitmonden in een klein ballonachtig zakje, het longblaasje of de alveolus. Rondom deze kleine zakjes liggen bloedvaatjes die zuurstof opnemen in de bloedbaan en kooldioxide afgeven aan de longblaasjes. Alle longblaasjes vormen samen met de bronchustakken de longen. De linkerlong is bijna altijd wat kleiner dan de rechterlong, omdat hier het hart ruimte inneemt.

Om de longen liggen twee longvliezen met een beetje “glijmiddel” ertussen, die ervoor zorgen dat het contact met de borstwand gesmeerd verloopt. Onder de longen ligt een grote platte peesachtige spier, het middenrif of diafragma, die als een soort pomp werkt om zuurstof in de longen te trekken en kooldioxide uit te blazen. Inademen en uitademen. Het lijkt zo simpel.

Waarom werken de longen niet zo goed

Als u ademhalingsproblemen heeft, is de beweging van de lucht in en/of uit de longen geremd en bemoeilijkt. U moet dan hard werken om weinig lucht binnen te krijgen. Probeer bijvoorbeeld maar eens om door een rietje adem te halen, zo voelt dit aan.

Hoe en waarom komt dat?

Een goede anamnese en lichamelijk onderzoek kan aanwijzingen geven voor een diagnose, er zal daarna altijd vervolgonderzoeken worden verricht.

Bijvoorbeeld longfunctieonderzoek, longfoto’s en bloedonderzoek. Het kan worden veroorzaakt door één van de volgende mogelijkheden:

· de normale luchtstroom is geblokkeerd door teveel slijm en/of ontsteking (bronchitis);
· de longblaasjes zijn min of meer in elkaar gezakt, de rek is eruit (longemfyseem);
· de spiertjes rond de longblaasjes zijn verkrampt (astma);
· het longweefsel is veranderd in littekenweefsel (longfibrose).

Deze ziektebeelden van de luchtwegen of longweefsel kunnen nadat de diagnose is gesteld worden behandeld. Ook kan het zijn dat u zelf uw levenswijze moet veranderen of aanpassen om een goed resultaat te kunnen behalen (bijvoorbeeld stoppen met roken), om de kwaliteit van het leven zo goed mogelijk te kunnen verbeteren.

Omgevingsgerelateerde aandoeningen

Uw ziektebeelden kunnen ook een relatie hebben met uw omgeving. De stoffen die de oorzaak zijn van deze zogenaamde omgevingsgerelateerde aandoeningen zijn vaak niet zichtbaar.

Uitlaatgassen

Elke dag komt u in contact met verontreinigingen (denk aan uitlaatgassen), allergenen

(allergische reactie veroorzakende stoffen) of irritatie veroorzakers. Meestal ziet u deze

stoffen niet maar ze zijn wel aanwezig.

Asbest

In een oud huis of kantoor kan b.v. asbest verwerkt zijn, huisstofmijt of een slecht functionerende kachel aanwezig zijn die het giftige koolmonoxide uitscheidt.

Huisstofmijt

Deze ingeademde stoffen kunnen invloed hebben op nog sluimerende aandoeningen en ze verergeren. Ook kunnen ze zelfstandig een ziekte doen ontstaan.