Pleurapunctie

De longen en binnenkant van de borstkas worden bedekt door dunne vliezen. Gewoonlijk zit daar nauwelijks vocht tussen, en zitten de vliezen tegen elkaar als een binnen- en buitenband. Door diverse oorzaken kan zich vocht ophopen in de ruimte tussen deze vliezen (de longvliesruimte). Bij een pleura punctie wordt dit vocht afgezogen met een naald die tussen de ribben in de longvliesruimte wordt gebracht. Het vocht kan dan worden onderzocht onder de microscoop of op kweek worden gezet.

Tussen de twee vliezen hoort maar weinig vocht te zitten. Als er echter meer vocht zit dan normaal zal de arts willen weten wat de oorzaak hiervan is. In sommige gevallen zit er zoveel vocht dat het tegen uw longen drukt waardoor u moeilijk gaat ademen.

Het onderzoek wordt meestal zittend uitgevoerd. De arts zal eerst de plek zoeken waar het vocht zit door middel van lichamelijk onderzoek, doorlichting met röntgenstralen of met behulp van een echo. De huid en de onderliggende weefsels worden dan met een dunne naald verdoofd. Dan brengt de arts de naald in, en wordt het vocht afgezogen. Daarna wordt het wondje verbonden, en een enkele keer gehecht. Het hele onderzoek duurt met voorbereiding erbij 20 tot 30 minuten.

Als er veel vocht moet worden weggezogen kan het langer duren. Het vocht kan dan ook worden verwijderd door middel van een pleuradrainage. In wezen is dit ook een pleurapunctie, maar in plaats van de naald weer te verwijderen, wordt er een drain (dun slangetje) in de longvliesruimte ingebracht, waar het vocht door kan weglopen. U wordt dan daarna opgenomen. Na enkele dagen wordt dan bekeken of het slangetje verwijderd kan worden. Soms beslist men om de longvliezen aan elkaar te plakken met een bepaald middel (pleurodese) waardoor er geen vocht meer tussen de longvliezen kan komen. Daarna kan het slangetje verwijderd worden

De verdovingsprik voelt u zoals ieder andere prik. Het kan zijn dat de longvliezen toch gevoelig blijven hetgeen u als pijnlijk ervaart

Advertenties

Astrup

Bij een arterieel bloedgas wordt slagaderlijk bloed van een patiënt onderzocht in een klinisch-chemisch laboratorium. Hierbij wordt onder andere gekeken naar het zuurstofkoolzuurgas en de zuurgraad (pH) van het bloed. Er zijn verschillende plaatsen om slagaderlijk bloed af te nemen

  1. pols (spaakbeenslagader / arteria radialis)
  2. lies (liesslagader / arteria femoralis).

Een bloedgas wordt ook wel een astrup genoemd, naar Poul Astrup, die veel pionierswerk op het gebied van bloedgasbepalingen heeft verricht. Ontluchten is zeer belangrijk, en wel direct na afname van het bloedmonster. Als dit namelijk niet gebeurt dan zijn de uitslagen niet betrouwbaar.

Bloedgassen worden bepaald om de verhouding zuurstof (O2) en koolstofdioxide (CO2) in het bloed te bepalen en het zuur-base-evenwicht te controleren. De ademhaling zorgt ervoor dat O2 de cellen van het lichaam kan bereiken en dat CO2, dat door allerlei metabole processen in de cellen wordt gevormd, wordt afgevoerd. Voor het goed kunnen functioneren van het lichaam, is het daarnaast van belang dat de pH van het lichaam binnen nauwe grenzen wordt gehouden, waarvoor verschillende buffersystemen aanwezig zijn. Het belangrijkste buffersysteem in het menselijk lichaam is het bicarbonaat (HCO3) / CO2buffersysteem (zie zuur-base-evenwicht).

De pH van bloed neemt af (wordt zuurder) wanneer de hoeveelheid CO2 in het bloed toeneemt of bij de aanwezigheid van een (andere) zure stof in het bloed ( bijvoorbeeld bij nierproblemen). De pH van bloed neemt toe (wordt meer basisch) wanneer de hoeveelheid CO2 in het bloed afneemt of bij een toename van basische stoffen (zoals bicarbonaat; HCO3) in het bloed. Stoornissen in het zuur-base-evenwicht kunnen bij tal van ziekten voorkomen. Deze stoornissen staan dus nooit op zichzelf, maar zijn meestal een uiting van een onderliggende ziekte. Zo is aan de hand van de uitslagen van bloedgassen bijvoorbeeld op te maken of er een probleem is met de longen (respiratoir) of met bijvoorbeeld de nieren (metabool) en of het bloed hierdoor te zuur (acidose) of te basisch (alkalose) is. De 4 ontregelingen die men kan onderscheiden zijn:

  • respiratoire acidose: door een verstoorde ademhaling kan het CO2 het lichaam niet goed verlaten, waardoor de CO2-concentratie in het bloed stijgt en de pH van het bloed daalt. Mogelijke oorzaken zijn bijvoorbeeld COPD of een longontsteking.
  • respiratoire alkalose: door een toegenomen ademhaling wordt er meer CO2 afgevoerd, waardoor de CO2-concentratie in het bloed daalt en de pH van het bloed stijgt. Mogelijke oorzaken zijn bijvoorbeeld hyperventilatie, pijn en sommige longziekten.
  • metabole acidose: er is een verlaagde pH samen met een verlaagde bicarbonaat concentratie in het bloed. Mogelijke oorzaken zijn bijvoorbeeld een ontregelde diabetes mellitus en ernstige nierproblemen.
  • metabole alkalose: er is een verhoogde pH samen met een verhoogde bicarbonaat concentratie in het bloed. Mogelijke oorzaak is bijvoorbeeld langdurig overgeven.

Hoewel de normaalwaarden afhankelijk zijn van een aantal factoren (onder andere plaats van prikken, en laboratorium), is dit een referentie (gebruikt in het AMC):
pH: 7,35 – 7,45
pO2: 10,0 – 13,3 kPA
pCO2: 4,4 – 6,3 kPA
HCO3 (bicarbonaat): 22 – 28 mmol/L
Base Excess: -2 – 2 mmol/L

Bron: wikipedia

Longfunctie onderzoek

Bij iedere longfunctietest ademt u via een mondstuk dat bevestigd is aan het longfunctie-apparaat. Om te voorkomen dat u door uw neus ademt, krijgt u een neusklem. Het onderzoek duurt een half tot een uur.

Spirometrie:

test om longinhoud te meten. Hiervoor moet u een aantal keren diep in- en uitademen. Om de snelheid te meten waarmee u kunt uitblazen, moet u dit ook een aantal keren krachtig doen. Als uw longarts dit heeft afgesproken, herhalen we de test na het toedienen van een luchtwegverwijdend medicijn.

Diffusietest:

test om de snelheid te meten waarmee uw longen de ingeademde zuurstof aan het bloed doorgeven. Nadat u volledig heeft uitgeblazen, moet u diep inademen en uw adem 10 seconden vasthouden. Vervolgens blaast u weer in het apparaat uit.

Bodybox:

test om de weerstand van uw luchtwegen te bepalen. Dat wil zeggen hoeveel moeite het u kost om adem te halen. Tevens wordt de longinhoud gemeten. De test gebeurt in een gesloten ruimte, die lijkt op een telefooncel. Als uw longarts dit heeft afgesproken, herhalen we de test na het toedienen van een luchtwegverwijdend medicijn.

Histamine gevoeligheidstest:

Met deze test wordt er gekeken hoe snel je kortademig wordt of hoestklachten krijgt. Je krijgt een stofje ingeademd en na een paar minueten moet je een aantal blaasoefeningen doen om te kijken of je minder lucht hebt gekregen. Als dit niet het geval is, krijg je een sterker stofje in te ademen en worden de blaasoefeningen weer herhaald. Indien je klachten krijgt van kortademigheid of hoestklachten net als thuis wordt het onderzoek gestopt en krijg je medicijnen toegediend zoals bricanyl of ventolin zodat de klachten binnen 15 minuten weer verdwenen zijn. Om te controleren of de klachten weg zijn vragen we je om nog wat blaasoefeningen te doen als de medicijnen zijn ingewerkt. De histamine gevoeligheidstest kan 90 minuten duren. Je hoeft niet nuchter te zijn. Het is belangrijk dat je rustig en ontspannen aan het onderzoek begint. Voor het goed slagen van de test dien je soms van te voren te stoppen met het innemen van bepaalde medicijnen. De longarts laat dat dan aan je weten.

Radiologie

Angiografie

Een Angiografie is een röntgenonderzoek van de bloedvaten. Om de bloedvaten zichtbaar te maken wordt contrastvloeistof ingespoten. Als je overgevoelig bent voor contrastvloeistof of voor jodiumhoudende stoffen moet je dit melden aan de radiodiagnostisch laborant. Moderne variant op angiografie is de spiraal CT-scan. Bij deze methode wordt er een injectie met contrastvloeistof toegediend. Vervolgens wordt het (eventuele) stolsel zichtbaar gemaakt met behulp van röntgenfoto’s. Daarna maakt een computer een groot aantal foto’s (dwarsdoorsneden). Dit onderzoek is minder belastend.

CT-scan

De CT-scan (Computer Tomografie) is een apparaat dat door middel van draaiing van de röntgenbuis en een krachtige computer zogenaamde ‘doorsnede-beelden’ kan maken. De CT-scan wordt voor alle organen in het lichaam gebruikt. De scans die het AMC gebruikt zijn de zogenaamde spiraalscans waarbij het (liggende) lichaam langzaam door de röntgenstralen wordt bewogen. Op deze manier wordt een driedimensionale doorsnede verkregen. Met behulp van de computer kunnen daarvan weer in allerichtingen doorsneden (plakjes) gemaakt worden.

 De CT-scanner

Echografie

De echografie maakt gebruik van ultrageluid, waarmee een beeld wordt verkregen van de organen en weefsels. Dit wordt veelvuldig gebruikt bij buikklachten.

MRI

De MRI (Magnetisch Resonantie Imaging) maakt gebruik van een zeer sterke magneet die in een soort buis is geplaatst. De patiënt neemt hierin plaats waarna het lichaam magnetisch wordt. De magnetisch eigenschappen van weefsels varieert doordat de chemische samenstelling verschilt. Van deze lokale verschillen wordt gebruik gemaakt om afbeeldingen te maken. De MRI kan voor alle organen in het lichaam gebruikt worden. Voor het maken van de afbeeldingen worden krachtige computers ingezet. Bij MRI-onderzoek is het zaak dat de patiënt niet claustrofobisch is (bang in kleine ruimtes). Als de patiënt hiervoor wel angstig is, verdient het aanbeveling dit vooraf te melden bij de radiologisch laborant of radioloog. In de meeste gevallen is een kalmerend middel voldoende om zonder problemen het onderzoek (dat 30 tot 40 minuten kan duren) te ondergaan.

ntgenfoto’s

Röntgenfoto’s worden gemaakt om een beeld te krijgen van het skelet of de borst. Deze worden meestal met behulp van ‘gewone röntgenbuizen’ gemaakt. Achter de patiënt wordt een scherm gehouden. De stralen die door het lichaam heen komen, veroorzaken een ‘schaduwbeeld’ van een deel van de inwendige organen. Die zijn te herkennen door verschillen tussen vet, lucht, water en mineralen

. Röntgenfoto van de longen

PET-scan

Voor het stellen van de diagnose kanker maken artsen vaak gebruik van een PET-scan. Tijdens dit beeldvormende onderzoek wordt radioactieve stof gebruikt. Maar is dat gevaarlijk? Lees hier alles over het PET-onderzoek: van voorbereiding tot uitslag.
Een PET-scan (positron emissie tomografie) is een vorm van nucleair beeldvormend onderzoek. Met behulp van een kleine hoeveelheid radioactieve stof wordt verandering in de stofwisseling van cellen in beeld gebracht.

 Hoe werkt het?

Een PET-scan wordt gedaan bij sommige vormen van kanker. Kankercellen hebben meestal een verhoogde stofwisseling in vergelijking met normale cellen. Dat betekent dat kankercellen veel meer suiker gebruiken. Bij een PET-scan wordt van tevoren een kleine hoeveelheid radioactief suiker in het bloed gespoten. Deze radioactieve suiker concentreert zich vervolgens op de plekken waar de kankercellen zitten. De radioactiviteit is terug te zien op de beelden die scan maakt. Om kwalitatief betere beelden te kunnen maken, wordt een PET-scan soms aangevuld met een CT-scan.

Wanneer een PET-scan?

Soms zijn tumoren of uitzaaiingen niet te zien op een CT- ofMRI-scan, maar wijzen andere testen wel op kanker. In zo’n geval kan een PET-scan duidelijkheid geven. Daarnaast wordt de scan gebruikt om te bepalen in welk stadium de ziekte verkeerd en om te beoordelen wat het effect van de therapie op kankercellen is geweest. Ook andere afwijkingen van de normale stofwisseling kunnen met een PET-scan zichtbaar gemaakt worden.Voorbereiding

Het is van belang dat je vanaf zes uur voor het onderzoek nuchter bent. Het onderzoek vindt plaats op de afdeling Nucleaire Geneeskunde van het ziekenhuis.

Ongeveer een uur voordat het onderzoek plaats vindt, is het de bedoeling dat je een liter water, thee of koffie drinkt. Hierdoor zullen de nieren minder oplichten op de scan. Een volle blaas is niet noodzakelijk, je kunt het gewoon weer uitplassen.
De meeste geneesmiddelen kun je gewoon blijven gebruiken. Diabetespatiënten hebben vaak een andere voorbereiding nodig, meldt diabetes dus altijd bij een arts. Verder is het prettig om gemakkelijke warme kleding te dragen zonder metalen knopen en ritsen. Ook is het beter om voorafgaand aan het onderzoek zware lichamelijke inspanning te vermijden.

 Het onderzoek

Tijdens het onderzoek lig je op een tafel. De tafel schuift in een soort tunnel, dit is het scanapparaat. De tafel blijft ongeveer 15 minuten in dezelfde positie staan, daarna schuift de tafel naar een volgende positie. Afhankelijk van de lengte van het scangebied duurt het scannen zo’n 30 tot 60 minuten. Het is belangrijk om zo stil mogelijk te liggen. De laborant die het apparaat bedient bevindt zich in een andere ruimte. Via een intercom kun je met hem praten.Radioactieve stof

Voor het onderzoek wordt een licht radioactieve stof gebruikt. De hoeveelheid straling is vergelijkbaar met die van een röntgenfoto en is voor volwassenen dus niet schadelijk. Ook bij kinderen kan het in een aangepaste dosering geen kwaad.De radioactieve stof is maar kort werkzaam en wordt speciaal voor het onderzoek gemaakt en besteld. De stof heeft geen bijwerkingen en zijn na een korte tijd weer volledig uit het lichaam verdwenen. Ze zijn ook niet van invloed op het reactievermogen, dus na de scan kun je in principe weer gewoon aan het verkeer deelnemen.

Om de radioactieve stof sneller uit het lichaam te lozen kun je na de scan het beste veel drinken. De vloeistof gaat dan voor een groot deel via de urine het lichaam uit. De rest van de radioactiviteit vervalt in de tijd.

 

Longpunctie

Een longpunctie is een onderzoek waarbij de arts met een naald wat longweefsel wegneemt. Het onderzoek wordt gedaan als u een afwijking hebt in het longweefsel en een bronchoscopie niet duidelijk maakt om wat voor afwijking het gaat.
De arts verdooft de huid en het longvlies met een injectie. Dankzij het gebruik van een röntgen- of echoapparaat weet hij precies waar hij moet prikken. Met een naald haalt hij een of meer stukjes weefsel weg. Daarna verwijdert de arts de naald en krijgt u een pleister op de plek van de punctie.

Na afloop van het onderzoek moet u ongeveer een uur plat op bed liggen en daarna nog vier uur bedrust houden. Bij een longpunctie ontstaat heel soms een luchtlekkage, waardoor u een klaplong kunt krijgen. Vanwege dit risico wordt enkele uren na de longpunctie alijd een foto gemaakt.

Bronchoscopie

Wat is een bronchoscopie

Een bronchoscopie is ‘kijken in de luchtwegen’, met behulp van een dun flexibel slangetje (bronchoscoop) waar verlichting, lenzen en spiegels in zijn gemaakt

Waarom krijg ik dit onderzoek?

Als je dit onderzoek krijgt, heeft de arts vaak al bij je een ander onderzoek verricht en geconstateerd dat er misschien een afwijking zit in uw longen. Hij/zij weet alleen nog niet wat het precies is. Op een foto of scan is dat namelijk niet te zien. Daarom vindt er een bronchoscopie plaats. De arts kan hierbij in de luchtwegen kijken en hieruit stukjes weefsel en slijm halen om te onderzoeken wat er aan de hand is. Dit onderzoek kan helpen vaststellen of er sprake is van longkanker of van een andere longaandoening. Tevens kan dan bekeken worden waar de afwijking precies zit, hoe groot de afwijking is, en hoe die er uitziet. Microscopisch onderzoek van de verkregen weefselstukjes kan uiteindelijk aangeven welke soort longkanker het is, bijvoorbeeld kleincellige of niet-kleincellige longkanker.

Hoe gaat dit onderzoek?

De arts verdooft de mond (of neus) en keelholte met een spray, en druppelt vloeistof in de luchtwegen om deze te verdoven. Op medische indicatie kan soms besloten worden mensen onder volledige narcose te brengen voor dit onderzoek. De arts brengt de bronchoscoop, van enkele mm dikte, heel voorzichtig via de mond of neus in de luchtwegen. De luchtwegen worden niet afgesloten, dus uje kunt gewoon blijven doorademen. De arts kan door de bronchoscoop in je longen kijken, al dan niet met behulp van video-apparatuur. Met de bronchoscoop kan er slijm worden afgezogen of weefselstukjes worden verwijderd voor verder onderzoek. Dit onderzoek is er op gericht om na te gaan of je kanker hebt, en welke soort kanker. Tevens kan dan bekeken worden waar de afwijking precies zit, hoe groot de afwijking is, en hoe die er uitziet.

Is het vervelend?

Bronchoscopie doet geen pijn. Tijdens de bronchoscopie kan je last hebben van hoesten. Als dat het geval is kan de arts extra verdoving via de bronchoscoop in de luchtwegen spuiten om de hoestprikkel te dempen. Tijdens het onderzoek wordt het zuurstofgehalte in het bloed nauwkeurig gecontroleerd met een saturatiemeter (een knijpertje op uw vinger.) Als het zuurstofgehalte te laag is, krijg je extra zuurstof via de neus toegediend.

Moet ik me voorbereiden?

Voor het onderzoek mag je vanaf middennacht 0.00 uur niet meer eten of drinken. Uw medicijnen (behalve plastabletten) kunt u ’s morgens gewoon innemen met een beetje water. In overleg met de longarts worden bloedverdunners tijdelijk gestaakt om bloedingen te voorkomen. Als je een kunstgebit hebt, moet deze uit de mond.

Wat gebeurt er na het onderzoek?

Over het algemeen kun je korte tijd na het onderzoek het ziekenhuis weer verlaten. Als er medische redenen zijn om je enige tijd te observeren kan het verblijf in het ziekenhuis enkele uren zijn. Je mag na het onderzoek niet meteen drinken, omdat het voor kan komen dat je door de verdoving je zou kunnen verslikken. Het kan zijn dat uje achteraf wat last heeft van een ruwe keel. Ook kan het slikken een tijdje wat moeilijker gaan. Dit gaat vanzelf weer over.

Wanneer en hoe krijg ik de uitslag?

Tijdens het onderzoek wordt materiaal uit uw longen gehaald. Dat wordt onderzocht onder de microscoop of op kweek gezet. Gemiddeld duurt het een week voordat je in een gesprek te horen krijgt wat de uitslag is.