Klinische les:Radiotherapie uitwendige bestraling

Hieronder tref je de klinische les aan van Sabrina en Renske, 2 van mijn collega’s die de opleiding voor oncologieverpleegkundige dit jaar hebben afgerond.

Algemene informatie kanker:

Kenmerkend voor kanker is de ongeremde celdeling, metastasen uitzaaien zijn geen andere soort kanker, het is een uitbreiding van de oorspronkelijke kanker, Kankercellen kunnen namelijk losraken van een tumor en via lymfe en/of bloed in het lichaam worden verspreid. Een voorbeeld: Als bij een patiënt met longkanker ook een tumor in de hersenen wordt gevonden gaat het niet om een hersentumor maar om longkankercellen in de hersenen.

Algemene informatie uitwendige bestraling:.

Bij uitwendige bestraling (brachytherapie) komt de straling uit een toestel en dringt van buitenaf door tot de tumor. Na de bestraling blijft geen straling in het lichaam achter. Patixebnten worden dus niet radioactief. Er komt ook geen straling in zweet, urine, ontlasting of zaad. De ruimte waarin bestraald wordt is alleen radioactief tijdens de bestraling, zodra het bestralingstoestel uitgezet is is de straling weg dit is vergelijkbaar met het aan en uitschakelen van verlichting.

Hoe werkt radiotherapie:

Radiotherapie is een plaatselijke behandeling en heeft daarom alleen effect in het gebied dat door de stralenbundel(s) wordt getroffen. Kankercellen en gezonde cellen reageren verschillend op bestraling. Kankercellen verdragen bestraling slechter dan gezonde cellen. De kankercellen gaan uiteindelijk dood, terwijl de gezonde cellen zich zullen herstellen. Bestraling werkt vooral op sneldelende cellen. Deze eigenschap is belangrijk, omdat sneldelende cellen meer voorkomen in kankerweefsel dan in gezond weefsel. Het effect van bestraling op sneldelende gezonde cellen is voornamelijk merkbaar bij cellen van de huid, het haar, de slijmvliezen en het beenmerg.

Palliatieve behandeling:

Wanneer geen genezing meer mogelijk is, kan zonodig een palliatieve behandeling worden gegeven. Deze behandeling is gericht op het verminderen van klachten. Radiotherapie kan worden toegepast bij pijn, een bloeding, belemmering van een doorvoer en bij andere verschijnselen die ontstaan door druk van een tumor op nabijgelegen organen.

Welk bestralingstoestel:

Welk toestel wordt gebruikt hangt af van de plaats van de tumor. Hoe dieper de tumor zit, des te sterker de straling moet zijn om voldoende door te dringen tot de kankercellen. De keuze van het toestel wordt dus bepaald door de straling die nodig is om kankercellen te vernietigen. Zo zullen patixebnten met een huidtumor worden bestraald met oppervlakte therapie. Voor een dergelijke tumor is geen sterke straling nodig. Bij de patixebnten die van onze afdeling voor bestraling gaan moet echter straling met groot doordringend vermogen worden gebruikt. Er zijn twee soorten toestellen die deze ‘sterke’ straling kunnen leveren: de lineaire versneller en het kobaltapparaat. In de lineaire versneller wordt met elektrische spanning met een groot doordringend vermogen opgewekt. De elektrische spanning die nodig is om deze sterke straling op te wekken wordt gemeten in mega (=miljoen) volt. Daarom wordt ook wel gesproken over megavolt therapie. De bestralingtijd bij dit toestel is ongeveer 1 minuut per te bestralen gebied. Na het verstrijken van de benodigde tijd schakelt het toestel automatisch uit. In het kobalt apparaat zit een sterk radioactieve bron die een vergelijkbaar sterke straling geeft. Als er niet wordt bestraald, is de bron in het toestelgoed afgeschermd door een loden omhulling. Een deel van deze omhulling wordt weggedraaid, zodra de bestraling start. De bestralingstijd bij dit apparaat kan variëren  van 1 tot 7 minuten. Na het verstrijken van de bestralingstijd wordt de radioactieve bron weer afgeschermd door de loden omhulling.

Voorbereidingen:

De patiënt krijgt een afspraak met de bestralingsarts. Lokalisatie: Eerst moet de plaats van de tumor heel precies worden vastgesteld, zodat de stralenbundel nauwkeurig kan worden gericht. De bundel moet zo worden gericht dat het gezonde weefsel zo min mogelijk schade oploopt. Het exact bepalen van de plaats van de tumor gebeurt met een zogeheten simulator. Dit is een röntgenapparaat, waarmee men de bestraling kan nabootsen. Deze foto’s zijn nodig om de grenzen van het te bestralen gebied aan te geven en de benodigde hoeveelheid straling te berekenen. Als het te bestralen gebied vaststaat, wordt dat met moeilijk afwasbare inkt op de huid aangetekend. Om de inktstreepjes te beperken worden ook wel tatoeage puntjes aangebracht.

Masker:

Om ervoor te zorgen dat de stralenbundel steeds precies hetzelfde gebied treft, moet de patiënt bij elke bestraling in dezelfde houding liggen. Als men op het hoofd/halsgebied is dit een moeilijke opgave. De patiënt krijgt daarom een masker aangemeten. Dit masker wordt van tevoren gemaakt in een zogenaamde mouldroom (mould betekend moduleren). Er wordt eerst een gipsafdruk van het gezicht gemaakt (de mond blijft hierbij vrij), dit duurt ongeveer 15 minuten de patiënt is hierna klaar. Hierna wordt er een plastic masker gemaakt dit masker moet nog opnieuw gepast worden door de patiënt. Als het masker goed zit kan dit gebruikt worden bij de bestraling. Tijdens de bestraling wordt het masker bevestigd aan de bestralingstafel. Op het masker is het bestralingsgebied afgetekend. De patiënt hoeft dus niet met inktstrepen op het gezicht of in de hals rond te lopen. Hoe groot de totale dosis moet zijn om een tumor te vernietigen, hangt af van verschillende factoren zoals: – De gevoeligheid van de tumor. – De plaats van de tumor – Het herstelvermogen van het gezonde weefsel dat noodgedwongen wordt mee bestraald. – De leeftijd en de algemene conditie van de patiënt. De totale dosis bestraling die nodig is om een tumor te vernietigen kan meestal niet in een keer gegeven worden. De bestralingsbehandeling wordt daarom “uitgesmeerd” over een langere periode waarbij meestal 4 tot 5 keer per week een deel van de dosis gegeven wordt. Een bestraling verloopt dus stapsgewijs totdat de hele bestraling is gegeven. De periode waarin een bestralingsbehandeling wordt gegeven, kan varieën van een of enkele dagen tot weken. Het is belangrijk dat de reeks bestralingen zoveel mogelijk volgens plan worden ondergaan, dus zonder onderbrekingen. Er is overigens geen verband tussen de duur van de bestralingen en de ernst van de ziekte of de toestand van de patiënt. “Hoe meer bestralingen, des te ernstiger de ziekte’ is beslist een verkeerde veronderstelling.

Tijdens de bestraling:

De patiënt wordt bestraald in de Daniel De Hoed Kliniek in Rotterdam De bestralingsruimte is omgeven door dikke betonnen muren om de straling tegen te houden en ligt op enige afstand van de controle kamer. In de bestralingsruimte hangt een camera de patiënt kan op deze manier in de gaten gehouden worden, ook kan er met elkaar gepraat worden via een geluidsinstallatie. In de bestralingsruimte is het vrij koud dit is gedaan voor de bestralingsapparatuur en kan onaangenaam zijn voor de patiënt. De patiënt komt op een behandeltafel te liggen. De behandeltafel is een harde tafel en de patiënt moet hierop vaak ook in een ongemakkelijke houding liggen. Het te bestralen gebied wordt ingesteld met een lichtbundel die uit het bestralingstoestel komt. De patiënt wordt met de tafel zo geschoven dat de ingestelde lichtbundel die de grenzen van het bestralingsgebied aangeeft, precies binnen de aangetekende lijnen op de patiënt valt.

Controle:

Er vindt controle plaats door de radiotherapeut, meestal wordt er ook bloed gecontroleerd. Doordat in het beenmerg een groot aantal delende cellen voor komt, is het kwetsbaar voor bestraling. Bestraling kan de aanmaak van nieuwe bloedcellen vertragen. Dit gebeurt vooral bij patixebnten die ook behandeld worden met chemotherapie.

Medicatie:

Medicatie die voorgeschreven wordt dient door gegeven te worden aan de behandelende radiotherapeut veranderingen dienen ook doorgegeven te worden. Longkankerpatiënten die bestraald worden i.v.m. hersenmetastasen of op de longen krijgen vaak dexamethason, dit is om het oedeem dat vlak na de bestraling ontstaat tegen te gaan.

Bijwerkingen van bestraling:

Straling heeft niet alleen invloed op kankercellen maar ook op gezonde cellen in het bestralingsgebied. Vooral sneldelende gezonde cellen. Gelukkig herstellen gezonde cellen zich meestal na enige tijd, zodat bijwerkingen weer verdwijnen. Een algemene bijwerking is vermoeidheid. Wat een patiënt verder aan bijwerkingen merkt, is sterk afhankelijk van de plaats in het lichaam die wordt bestraald.

Invloed op de algemene gesteldheid:

Voor het herstel van gezond weefsel dat is bestraald en voor het opruimen van dode kankercellen, heeft het lichaam extra energie nodig. Hierdoor hebben veel patixebnten last van vermoeidheid. Die vermoeidheid heeft meestal niets te maken met de ziekte zelf. Ook spanningen rondom de ziekte en de behandeling kunnen van invloed zijn op hoe de patiënt zich voelt. Denk bijvoorbeeld aan het heen en weer reizen voor de bestraling.

Advies:

– Extra rust nemen. – Dagelijkse activiteiten in een wat langzamer tempo uitvoeren.

Haaruitval:

Haaruitval treedt alleen op als de stralenbundels een plaats treffen waar haargroei is. De haren die zich in dit gebied bevinden kunnen uitvallen. Als de hoofdhuid in het bestralingsgebied valt is het raadzaam om informatie te geven over pruiken. De haaruitval begint pas na twee of drie weken zichtbaar te worden in deze tijd kan eventueel een haarwerk gemaakt worden. Haaruitval is meestal tijdelijk; in een enkel geval is dit blijvend, dit hangt vooral af van de hoeveelheid straling die de patiënt op een behaarde plek heeft gekregen.

Invloed op de huid:

Bij de behandeling kan de huid die wordt bestraald een reactie vertonen. Door verbeterde bestralingstechnieken zijn de reacties van de huid minder hevig dan vroeger. De reactie van de huid is sterker als deze zelf bestraald wordt. De reactie van de huid begint met roodheid, meestal twee tot vier weken na de eerste bestraling. Daarna ontstaat extra pigmentatie, waardoor de huid donkerder wordt. Een enkele keer ontstaan blaren; op die plaatsen gaat de huid open. Dit komt het meest voor bij bestraling in huidplooien zoals liezen en oksels en ook bij operatielittekens. De huid geneest meestal binnen vier tot zes weken na afloop van de bestraling. De bestraalde huid blijft meestal iets donkerder. De huid die bij de bestraling erg rood is geweest, kan men beter niet te lang aan zonlicht of zonnebank blootstellen.

Adviezen om de huid te ontzien:

– Was de bestraalde huid niet met zeep. – Dep de huid droog in plaats van wrijven. – Vermijd stugge, schurende en knellende kleding. – De huid die bestraald is bij jeuk niet krabben. – Scheer de bestraalde huid alleen elektrisch – Poeder de bestraalde huid twee keer dag met ongeparfumeerde poeder. – Houdt plekken waar de huid open is zoveel mogelijk droog. – Plak tijdens de bestralingsperiode geen pleisters op de bestraalde huid. – Stel tijdens de bestralingsperiode de bestraalde huid niet bloot aan direct zonlicht of straling van een solarium of zonnebank.

Invloed op mond, keel en slokdarm:

Bij bestraling in het hoofd-halsgebied wordende speekselklieren getroffen. Daardoor zal er minder speeksel worden geproduceerd. Het gevolg is dat de patiënt last krijgt van een droge mond. Verder wordt de smaak minder en de reuk neemt ook wat af. Vaak zullen patiënten bepaalde dranken en gerechten vies vinden. Sommige patiënten krijgen last van slijmvorming. Aan het eind van de behandeling kunnen de mond en de tong rauw en pijnlijk aanvoelen. Een tekort aan speeksel kan een ontsteking in de mond veroorzaken. De klachten van droge mond kunnen langdurig na de bestraling aanhouden. De veranderingen in de speekselvorming kunnen na verloop van tijd een ernstige aantasting van het gebit teweegbrengen. Dit kan voorkomen worden door een speciale behandeling van het gebit bij de tandarts. Als een deel van de keel of de slokdarm wordt getroffen door de bestraling, kan pijn bij het slikken ontstaan.

Adviezen bij een pijnlijke mond, keel of slokdarm:

– Houdt de mond goed schoon spoel met chloorhexidine. – Poets tanden met een zachte borstel. – Rook niet. – Besteedt extra aandacht aan de voeding: 1. Gebruik eten en drinken niet te heet. 2. Vermijdt koolzuurhoudende dranken en alcohol. 3. Gebruik geen scherpe specerijen. 4. Sinaasappelsap en grapefruitsap kunnen te scherp zijn. 5. Vermijd hard en grof voedsel. 6. Neem de tijd voor het eten. 7. Vraag eventueel een Diëtiste in consult.

Adviezen bij slijmvorming:

– Spoel de mond regelmatig met water, koolzuurhoudende dranken of thee met citroen. – Drink friszure dranken als vruchtensap en karnemelk. – Melk kan een plakkerig gevoel in de mond geven, dit kan verholpen worden met een slokje vruchtensap of water.

Adviezen bij een droge mond:

– Vaak kleine slokjes drinken ook gedurende de nacht. – Spoel het eten weg met vocht. – Neem bij de warme maaltijd veel saus of jus. – Gebruik op brood smeuïg beleg. – Gebruik kauwgom, pepermuntjes, zuurtjes of waterijsjes.

Gevolgen op de lange termijn

Vooropgesteld moet worden dat de dosis straling en het stralingsgebied zodanig worden vastgesteld, dat er zo min mogelijk kans op bijwerkingen en blijvende schade zal zijn. In het algemeen herstelt het getroffen gezonde weefsel van de bestraling. De bijwerkingen die tijdens de behandeling kunnen optreden, zijn meestal enkele weken na het einde van de bestralingskuur verdwenen.

Resultaten:

De tumor zal door de bestraling kleiner worden en mogelijk helemaal verdwijnen. Dit kleiner worden kan nog weken na afloop van de bestraling doorgaan. Het duurt lang voordat alle dode kankercellen zijn opgeruimd door het lichaam. Hierdoor is het pas na afloop van de bestraling mogelijk om goed te beoordelen of het doel is bereikt. Bij bestraling die wordt gegeven ter verlichting van de pijn verschilt het effect van de behandeling van patiënt tot patiënt. Sommige patiënten merken dat de pijn direct minder wordt. Bij andere patiënten vermindert de pijn vooral na afloop van de behandeling. Sommige patiënten merken dat de pijn eerst wat toeneemt, waarna langzaam een verbetering in de situatie optreedt.

Advertenties